Het bankensysteem na de val van Bretton Woods (VS): Opkomst China

Het bankensysteem in de jaren ’70, ’80 en ’90 na de val van Bretton Woods.

Vanaf de jaren ’60 is het toezicht op banken steeds meer los geraakt van wetgeving. De invoering van de Glass-Steagall act (1933) moest grote bankencrises voorkomen (via de Federal deposit insurance corporation). Banken moesten hervormen en transacties tussen commerciële banken en effectenhandelaars werden beperkt. Vanaf de jaren ’60 is het toezicht op losse schroeven komen te staan. In 1999 schafte Bill Clinton de wet af. De wet werd dood verklaard want de toezichthouders (Federal reserve Board) interpreteerde de wet totaal anders.

In Europa werd na de val van het Bretton Woods systeem en het ineenstorten van de monetaire orde in de jaren ’70 veel wetgeving op banken en nationale overheden overgenomen door de Basel-Comités (Bank of International Settlements). Zo konden de banken zelf richtlijnen voor solvabiliteit en liquiditeit opstellen. Deze richtlijnen worden via de centrale banken van nationale landen (de voorzitters zit in de Board van de BIS en ECB) overgenomen. Overheden hebben hierdoor weinig grip op de geldhoeveelheid en het internationale bankwezen. Banken zijn nog wel verplicht om hun kasreserves bij centrale banken aan te houden. Centrale banken (nationaal) kunnen hierdoor nog enigszins overvloedige geldstromen afromen en invloed uitoefenen op de geldhoeveelheid. Maar veel invloed hebben nationale centrale banken in Europa niet meer door de koppeling aan de euro. De macht van de centrale bank is overgeheveld aan Brussel (EU), Frankfurt (ECB) en de BIS (Bazel). De BIS bepaalt met een klein clubje het mondiale bankenbeleid (Basel-III akkoorden). De invloed van nationale parlementaire regering op ons geldsysteem is verschoven naar de centrale Europese bank. Nationale regeringen hebben nauwelijks inspraak in het beleid over de euro. Het is een ondemocratisch niet transparant systeem gecreëerd door elitaire bankiers (met name Goldman Sachs).

De jaren ’80 kenmerkt zich vooral door een periode van deregulering en privatisering onder het bewind van Thatcher en Reagan. Banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen (securitisatie en special purpose vehicles) konden nu ineens veel meer dingen doen die voorheen illegaal waren of elders buiten Londen en Wallstreet nog steeds illegaal zijn.

De verruiming van mogelijkheden en het verminderen van regels trok een enorme hoeveelheid krediet en geld aan. Er kwamen enorm veel ondoorzichtige financiële producten op de markt met maar 1 doel: winst maken. De film Wall Street 1987 (Gordon Gekko) laat daar enigszins een beeld van zien: Greed is good. Met name het afschaffen van wetten die woekerrente moesten voorkomen en de enorme speculaties van banken leiden tot de hedendaagse depressies.

Hoge rentepercentages in de jaren ’80 moesten vooral inflatie voorkomen. Banken profiteerden hier juist van. De werkgelegenheid en de winsten in de financiële sector nam enorm toe, maar ook de schulden van huishoudens door hypotheken en creditcards. Waar de ineenstorting van de aandelenmarkt in ’29 nog een oorzaak van de crisis was, is het op dit moment de toename van schulden en krediet. Voorheen gaven burgers hun spaargeld uit aan consumptie wat leidt tot reële economie en banen, nu betalen burgers hun schulden af aan de financiële economie, wat leidt tot depressie en verlies van banen.

http://www.usdebtclock.org/

We stevenen af op een schulden-tsunami.

http://www.npo.nl/zembla/20-05-2015/VARA_101372895

Tussen 1986 en 2006 steeg de nationale Amerikaanse schuld van 2.1 biljoen dollar naar 8.5 biljoen dollar waarvan 6.1 biljoen dollar bestaat uit rente (momenteel loopt de schuld op naar de 20 biljoen dollar). Het fundament van de Amerikaanse economie ligt op schuld ipv. de reële economie. De invoering van Credit Default-Swaps (overdragen kredietrisico naar een derde partij, soort verzekering), de derivatenmarkt (onderliggende waarden onder bijvoorbeeld aandelen en obligaties zoals futures, opties, swaps en forwards) zijn afgeleide maatregelen om risico’s in te perken die niet de echte oorzaken aanpakken.

Bovendien zijn het maatregelen waar banken en speculanten kijken naar winstmaximalisatie en niet naar het maatschappelijke nut (al worden ze wel zo verpakt). Na de crisis (2009) zijn er voorstellen gedaan om de CDS af te schaffen en de derivatenmarkt beter te reguleren. In de jaren ’80, ’90 en ’00 werden deze financiële producten vooral gezien als beleggingsproducten niet direct als middel om risico’s te vermijden.

Warren Buffet noemde in 2003 derivaten al de ‘financial weapons of mass destruction’, vanwege de hoge winsten en verliezen en de enorme risico’s. Banken konden zich inlaten met deze financiële producten omdat banken too big to fail zijn. Banken konden niet vallen en liepen weinig risico’s, terwijl de winsten wel enorm waren. Banken kregen hierdoor een enorme machtspositie. Toezichthouders didn’t know shit. De producten werden steeds complexer waardoor het toezicht geen overzicht meer had. Naast de controle van de toezichthouders op de officiële balansen ging er nog een enorme schaduwboekhouding om in de financiële markten. Waarbij tegen elk onderpand vier a vijf schuldtitels/leentransacties staan en met flitskapitaal razendsnel van eigenaar verwisselen. Momenteel geven banken COCO’s uit: contigent convertible bonds. Hiermee kunnen banken in de toekomst snel schulden omzetten in reserves. Vreemd vermogen omzetten in eigen vermogen om de buffers te verhogen. Banken kunnen als ze gevaar lopen (weinig eigen vermogen hebben) nu sneller reserves opbouwen. Dat konden ze al door de uitgifte van aandelen. Alleen worden aandelen dan minder waard. Door de COCO hoef je geen aandelen uit te geven en behoud het aandeel zijn waarde. De COCO is een obligatie (schuld) maar veranderd onder een bepaalde beurswaarde van een aandeel in een eigendom van de bank. Onder een bepaalde beurskoers verliest de obligatiehouder zijn obligatie aan de bank. De bank wordt dan eigenaar van de COCO. Een COCO is een voorbeeld van een zeer ingewikkeld financieel product, dat ook nog eens zwaar gesubsidieerd is door de overheid, waar zwaar op gespeculeerd kan worden. Een product dat bedoeld is om de reserves te verhogen van banken in crisistijden, maar in de realiteit gewoon een beleggingsproduct is. Het is een perverse prikkel omdat de bank een belang heeft bij een lage buffer van haar eigen bank, want dan kan de bank een COCO verzilveren. Schuld van private partners komt in handen van eigendom banken. Ook hebben banken onderling COCO’s waardoor de schuld van de ene bank naar de andere wordt geschoven, zodat het internationale besmettingsgevaar groter wordt. Het financiële stelsel van banken wordt dus niet sterker, maar zwakker.

De uitgifte van COCO’s gaan dus rechtstreeks in tegen de Basel-III afspraken: het verhogen van de buffers en het vermijden van risico’s. Momenteel worden er al 175 miljard aan COCO’s uitgegeven om zogenaamd risico’s te spreiden. De buffers worden dus grotendeels opgehoogd met perverse prikkels en speculatieve beleggingen. In Argos waarschuwen de hoogleraren Sweder van Wijnbergen en Arnoud Boot al voor deze financiële schijnproducten. Ze vinden beide de subsidie van 350 miljoen euro voor deze uitgifte onbegrijpelijk.

http://www.vpro.nl/buitenland/nieuws/2014/12/Coco.html

Het is het financieren van schulden, perverse prikkels en ondoorzichtige prikkels. Terwijl we ons nu heel erg druk maken om lonen van bankiers kijkt bijna helemaal niet naar de miljoenen aan subsidies en miljarden aan toekomstige schijnconstructies die de schijnbare buffers zouden moeten verhogen om schijnbare garanties te leveren (meer eigen vermogen). De uitgifte van convertibles zijn goedkoper dan de uitgifte van aandelen, de koers van aandelen blijft gehandhaafd en op convertibles krijgen banken subsidies. Dit verklaart de explosie van uitgifte van COCO’s op de balansen van banken. Een constructie die op een risicoverlaging lijkt (soort van security), maar eigenlijk juist de risico’s van de hele financiële sector verhogen (speculatief gesubsidieerd beleggingsproduct).

Afgeleide financiele producten die ‘geld’ creeren op een secundaire manier van kredietverlening of het zogenaamd beveiligen tegen risico’s wordt ook wel shadow banking genoemd.

Het zijn niet bank gerelateerde tussenhandelaren die vergelijkbare bank producten verhandelen zoals securitization vehicles, asset-backed commercial paper conduits, money market mutual funds, repurchases agreements. Investment banks en mortgage companies maken onderdeel uit van het shadow banking systeem. Het is een systeem dat nauwelijks regulering heeft en bijna net zo groot is als het primaire banksysteem. Het creëert ‘geld’ op basis van krediet. Shadow banking leidde de globale crisis van 2008 in toen de subprime mortgages hausse doorgeprikt werd. Het is een beetje de vraag in welke mate de primary banks (echte commerciele en centrale banken) vervlochten zijn met het shadow banking systeem. In beide sectoren vind je een systeem van shadow banking terug. Met name door de afname van regulering en kwalitatief goede regulering is de toename van shadow banking in alle sectoren toegenomen. Het heeft gezorgd voor een enorme toename van financiële producten in bijna elke economische sector. Zowel in de private als de publieke en semi-publieke sector.

https://en.wikipedia.org/wiki/Shadow_banking_system

Tegenwoordig wordt de aandelenmarkt gedomineerd door high frequency trading. Mensen handelen niet meer in aandelen, maar computers begeleiden de supersnelle flitshandel in aandelen. Snelheid bepaalt overigens al eeuwen de waarde van de flitshandel. Wie is het eerste bepaalt hoeveel winst je maakt. Snelheid van informatie werd al een belangrijke factor in het VOC-tijdperk. Nathan Rothschild werd er bijvoorbeeld extreem rijk van. Het eerste zijn is het belangrijkste wat er is op de beursvloer. Tegenwoordig gaat het om een groot aantal transacties (orders) binnen een milliseconden. HFT traders kunnen in een duizendste van een seconde transacties  (kopen/verkopen) plaatsen. In de VS worden deze transacties voor 70% met computers gedaan (2 mln quotes per seconde). In Europa is dit percentage 40%. Deze snelle computers met miljarden aan transacties kunnen een flashcrash veroorzaken. Dat komt omdat HFT bedrijven contact hebben met alle beurzen in de wereld en binnen een supersnelle tijd miljarden verdienen door minimale prijsverschillen of koerswijzigingen. Die ultieme kleine verschillen kunnen grote winsten of verliezen opleveren door de snelheid en de massaliteit van de globale interconnectiviteit van de beurs en de intelligentie van computers en globale ICT verbindingen. Degene die het eerst handelt neemt de gehele winst of verlies. Flash handel bepaalt dus in grote mate het aandelenverkeer wereldwijd. Aandelen en de wereldhandel wordt steeds meer bepaald door ICT’ers of wiskundigen. De slimste mensen die vroeger nieuwe technologie uitvonden zitten nu in de financiële sector, omdat daar veel meer te verdienen valt (marges op transacties en bonussen). De extreem toenemende snelheid heeft ook voordelen. Door de robotisering en digitalisering dalen de kosten van de transacties enorm. Je kunt ook veel sneller zien hoe de markt op de milliseconde ervoor staat en daarop handelen. Je kunt je afvragen in welke mate dat handelen met voorkennis is. Het boek flashboys gaat hier dieper op in. Het gaat over het razendsnel verhandelen van eigendommen. Als het over obligaties gaat het over het razendsnel verhandelen van schuldbekentenissen en het verkrijgen van zoveel mogelijk marges. Deze enorm snelle megalomane flitshandel is eenvoudig af te remmen met de Tobin Tax. Een belasting op elke speculatieve transitie. De flitshandel zal dan snel een verliesgevende sector worden. Een bankenbelasting kan ook de snelheid van het uitwisselen van onderlinge kredieten beperken.

Hoewel de VS een enorme schuld heeft blijft het financieel vermogen van banken nog enigszins beperkt. Nederland en de UK hebben een veel omvangrijkere bankensector in verhouding tot het bruto binnenlands product (verhouding financiële economie/reële economie). Met daarnaast een enorm hoog aandeel vreemd vermogen. Banken gokken als het ware met vreemd vermogen. De winsten op het eigen vermogen van banken lijken heel hoog (rond de 15%) maar de winsten op de totale balans zijn relatief laag (rond de 1.2%). Dit komt door het hoge aandeel vreemd vermogen in relatie tot het eigen vermogen (de hefboomwerking/leverage). Het grote aandeel vreemd vermogen op de balans verklaart grotendeels het hoge rendement per aandeel. De lage kapitaalratio’s verklaren de hoge winst per aandeel. Maar dit is eigenlijk een schijnconstructie. Wel moeten centrale banken in 2015 en 2019 de kapitaalratio’s geleidelijk aan verhogen (Tier 1 capital ratio).

Momenteel zitten we in een periode met zeer zeer lage rentes. Lage rentes zijn bedoeld om de economie weer aan te trekken. Lage rentes maakt het lenen van geld gemakkelijk en goedkoop. Japan probeert dit al vanaf de jaren ’90. Na de economische crisis van 2008 probeert de Europese Unie  en de VS het met Quantitative easing programmes (QE): kwantitatieve versoepeling. Het aanbieden van heel goedkoop geld (verkoop van staatsobligaties) tegen een zeer laag rentepercentage in een reële economie die in het slop zit (geldverruiming).

Het systeem werkt alleen niet zo goed bij dalende prijzen en stijgende werkloosheidcijfers. Mensen stellen hun aankopen dan uit waardoor de reële economie niet groeit. Je blijft zitten met heel veel liquiditeiten waardoor geld nog goedkoper op de markt komt (groot aanbod, weinig vraag). QE programma’s werken dus alleen goed als je ook de reële economie structureel veranderd. In Europa is de gereedschapskist van de ECB momenteel leeg. Na 4 QE programma’s is er nauwelijks economische groei bewerkstelligd en is de rente op het laagste niveau (er zijn zelfs negatieve rentes). De inflatie is ook zeer laag er is zelfs sprake van deflatie. Op dit moment 2 maart 2015 gaat het ‘big bazooka’ van de ECB van start. Elke maand (19 maanden lang) pompt de ECB 60 miljard per maand aan liquiditeiten in de economie door bonds op te kopen.

In de VS heb je een lichte opmars van de economie door de tijdelijke schaliegas/olie opleving en een overwegend positievere stemming over de economie. Een lage rente kan ook een kapitaalvlucht naar andere regio’s veroorzaken waar de rente hoger is (naar economieën die wel groeien en dus hogere rentes hebben, met hogere rentes rem je de economie en inflatie af). Wat dat betreft neem je met de QE programma’s in Europa heel veel risico’s en maatregelen die eigenlijk weinig effect hebben.

Een kapitaalvlucht door lage rentes zorgt voor depressies. Europa is de hoek waar de klappen vallen: een hoge (jeugd) werkloosheid, weinig vertrouwen in de reele economie, lage rentes, vergrijzende bevolking, weinig bestedingen, een zeer verdeelde markt met veel tegenstellingen en economische monetaire programma’s die geen effect meer hebben, het rente instrument is uitgewerkt. Vanaf de jaren ’80 hebben de banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen met een toegenomen deregulering en andermans geld er een enorm casinospel van gemaakt dat we nu proberen op te lossen met regulering, kapitalisatie, versimpeling, transparantie en QE pakketten. Vanaf de jaren ’80 krimpt onze binnenlandse economie door o.m. bevriezing van de lonen (Verdrag van Wassenaar). Dat is goed voor de export (lage loonkosten) en export georiënteerde ondernemers en slecht voor de binnenlandse bestedingen. Het tekort aan binnenlandse bestedingen is geprobeerd op te lossen door een impuls te geven aan de vastgoedsector: hypotheekrente aftrek.

In de jaren ’80 maar vooral in de jaren ’90 konden mensen op basis van krediet massaal huizen kopen en werden er veel winkels en kantoren bijgebouwd. De woningbouw zat vast aan contigenten (rode contouren), waardoor de prijzen enorm stegen (vraag door toename krediet was hoog, maar aanbod nam mindersnel toe).Ook verkochten banken enorm veel kredieten in de vorm van hypotheken aan bewoners die dat eigenlijk niet goed konden betalen. Hierdoor stegen huizenprijzen met 200 a 300%. Dat is leuk voor bewoners die hun huis willen verkopen, maar niet voor mensen die een huis willen kopen. igenlijk maak je door dit nieuw gecreerde geld in de vorm van krediet alles alleen maar duur (inflatie). Je hebt door een hoge hypotheek minder geld voor andere rekeningen. De bestedingen nemen daardoor af. Je kunt ook zeggen dat de bank geld naar zich toe schuift door  geldcreatie. Omdat deze schulden met rente terugbetaald moeten worden blijft er weinig geld over voor de overige economie (verschuiving van geld uit de reele economie naar de financiele eoconomie). Met geldcreatie kun je op korte termijn de economie stimuleren (verhogen inflatie) maar via schuld en rente zorg je op langere termijn voor deflatie en bestedingsuitval (recessie en depressie).

Het aantal winkels en kantoren groeide door de onbeperkte kredietverlening ook erg snel. Die staan nu massaal leeg. Consumenten hebben vooral schulden en kopen veel minder en de werkloosheid is enorm toegenomen. Bankiers zijn met de financiele producten ook betrokken in de semi-publieke sector. Universiteiten, ziekenhuizen, openbare nutsvoorzieningen zijn steeds meer vastgoedspeculanten geworden met vastgoedportefeuilles. Ziekenhuismanagers die geen verstand hebben van financiële vastgoedproducten. Voor banken, verzekeringen en pensioenfondsen was het vrij eenvoudig om ondoorzichtige financiële producten te verkopen aan deze nieuwe bedrijfstak. Zo zie je grote  semi publieke instellingen met grote derivatenportefeuilles. Die derivaten zijn bij een lange laaglopende rente juist een strop om de nek van veel semi publieke partijen. De belastingbetaler betaalt alleen wel voor deze strop.

Wat weten ziekenhuismanagers nu van opties, swaps, forwards, securities en derivaten? In de jaren ’80 werd het marktdenken geïntroduceerd en geïnstitutionaliseerd en in de jaren ’90 werd het marktdenken integraal doorgetrokken in alle sectoren. Misschien kicken we na  de crises in 2001 en 2008 af van dit fundamentalistische marktdenken en keren we terug naar waarvoor we eigenlijk een economie hebben: het uitruilen van goederen en diensten op basis van wederkerigheid ipv. winstoptimalisatie. Quantitative easing (kwantitatieve versoepeling) is misschien een laatste stuiptrekking van economische groei op basis van winstmaximalisatie. De gereedschapskist van de ECB is op. Na het vierde programma QE, de rente is op zijn laagste punt. De sturende rol van de ECB is uitgespeeld de ECB kan zich alleen nog maar beroepen op gemaakte afspraken (de Troika).

De BIS en het IMF ( Europese voorzitters) spelen op de achtergrond eigenlijk een veel belangrijkere rol dan de ECB. Ze zijn beleidsbepalend (Bazel-comite), analyseren de wereldeconomie (World Economic Outlook) en leggen regels op (kapitaalratio’s banken). Ze vormen met de Wereldbank (Amerikaanse voorzitter)  het centrum van de macht en beheersen grotendeels met de FED de mondiale geldhoeveelheid. Het IMF is opgericht om de monetaire en economische stabiliteit te bewaken, economische groei en werkgelegenheid te bevorderen en tijdelijke hulp aan ontwikkelingslanden met betalingsbalans tekorten te corrigeren. De Wereldbank verstrekt onder bepaalde voorwaarden leningen aan ontwikkelingslanden met voornaamste doel om armoede te bestrijden.  Het IMF en de Wereldbank krijgt aan de ene kant kritiek op het neoliberale beleid waarbij het kapitalistische systeem wereldwijd mondiaal doorgevoerd wordt in ruil voor leningen. Het IMF kijkt bijvoorbeeld niet naar milieuvervuiling , het arbeidsrecht en mensenrechten zolang het land maar zorgt voor economische groei en winstmaximalisatie. Volgens Stiglitz zet het IMF te nadrukkelijk in op het bestrijden van inflatie, waardoor economische groei en werkgelegenheid geen kans krijgt. De libertarische hoek ziet uberhaupt niets in inmenging in welke vorm van economie dan ook. Inmenging in de vrije marktwerking beloond inefficiënt gedrag waardoor ontwikkelingslanden zich nooit meer gaan ontwikkelen.

In 2011 volgde Christine Lagarde Dominique Strauss-Kahn op als voorzitter IMF (beide Frans). Christine Lagarde is een centrum rechts politica met een natuurlijke pleidooi voor meer marktwerking. In 1999 werd Lagarde de eerste vrouwelijke leider van Baker&McKenzie (een van de grootste advocatenkantoren ter wereld met vele handelsbetrekkingen wereldwijd). Baker&McKenzie was een van de eerste bedrijven die gebruik maakte van de  Swiss Verein constructie (2004). Dat zijn ongeregistreerde wetmatige constructies voor bijvoorbeeld NGO’s (non-gouvernementele organisaties). Amnesty International, World Wide Fund en de FIFA, maar ook vele grote multinationals maken gebruik van een Swiss Verein constructie vanwege bepaalde belastingvoordelen en regionale winstdelingen (winsten hoeven niet per se gedeeld te worden in een partnership, maar de internationale samenwerking kan gehandhaafd blijven. In Nederland zijn Deloitte en KPMG (accountancy) twee bekende bedrijven die met een Swiss Verein contructie werken.

Christian Noyer is sinds 2010 voorzitter van de Bank of Internationals Settlements. Van 1998 tot 2002 was Noyer vice-voorzitter van de ECB en  an 2003 tot 2009 president van de Banque de France. Noyer deed een voorstel om de triple A rating van de UK af te waarderen. In 2015 stelt Noyer een opkoopprogramma van staatsobligaties voor door de private marktpartijen (schuld in handen van private investeerders) gelijk verdeeld over alle Europese centrale banken (no free-riders). Noyer staat voor meer samenwerking tussen Europese banken, een Europese bankenunie waarvan de centrale Europese banken de uitvoerders zijn (waarvan de Bundesbank een van de belangrijkste partners is).

De Europese Centrale Bank (voorheen Europees Monetair Instituut) is de centrale bank van de Europese Monetaire Unie en opgericht in 1998. De voornaamste taak is het bewerkstelligen van prijsstabiliteit (2% inflatie) om de koopkracht in de Eurozone (monetair beleid, valutamarktoperaties en uitgifte bankbiljetten) te handhaven of te vergroten. De ECB is gezeteld in Frankfurt am Main (toevallig ook de eerste woonplaats van de Rothschild/Schiff familie). De ECB is vooral betrokken geweest bij de voorbereiding en invoering van de Euro (1999, officieel 2001). Vanaf 2014 heeft de ECB ook een toezichthoudende functie (Raad van toezicht). Via het herkapitaliseringssysteem (Europees Stabiliteitsmechanisme ESM, Jeroen Dijsselbloem) probeert de ECB het vallen van banken in zwakke economische naties te voorkomen. De kredietverstrekking aan Griekenland is daar het bekendste voorbeeld van. De val van Griekse banken kan leiden tot besmettingsrisico’s naar andere Europese banken. Banken zijn sterk met elkaar verweven via balansen.

De eerste president van de ECB was Wim Duisenberg, opgevolgd door Jean Claude-Trichet. Vanaf 2011 is Mario Draghi (ex-Gold Man Sachs, ex-World Bank) de president van de ECB. De ECB maakt beslissingen ‘volledig’  onafhankelijk van nationale parlementen en andere Europese centrale banken. Het kapitaal van de ECB wordt bijeengebracht door alle Europese centrale banken in het eurogebied (70%) en niet Europese centrale banken (30%). Duitsland, Frankrijk, UK en Italië hebben de grootste inleg van het kapitaal. Het totale kapitaal tot 2010 bedroeg: 5,761 miljard euro.  In december 2010 is het kapitaal met 5 miljard verhoogd. Vooral de nationalistische partijen in Europa hadden hier veel kritiek op. Dit geld werd o.a. gebruikt voor het opkopen van Griekse, Portugese, Spaanse, Ierse en Italiaanse obligaties (de zuidelijke knoflooklanden) om de rente te drukken in de zuidelijke Europese Staten. Daarnaast werd er een long term refinancing Operation (LTRO) ingezet (versoepeling van eisen onderpand leningen). Het inwisselen van nieuwe meer soepele eisen aan leningen is een onderhandelingsspel tussen of kwijtschelding (haircut) van leningen (omdat de Grieken met een staatsschuld van 170% BNP toch niet kunnen terugbetalen) of het omvormen van eisen aan leningen (LTRO). Momenteel probeert de ECB weer via kwantitatieve versoepeling (lage rentes) de Europese economie en vooral het midden en klein bedrijf te stimuleren (QE programma’s). Iedereen die spaart is dan wel de lul. Het is dan ook de bedoeling dat spaargeld omgezet wordt in leningen om te investeren in de economie.

Jeroen Dijsselbloem is de minister van financien in Nederland en de voorzitter van de Eurogroup en de voorzitter van de board of governors van het Europese stabiliteitsmechanisme (ESM) vanaf 2013. Ook wel Mister Euro genoemd. De ESM is een internationaal organisatie gevestigd in Luxemburg. De ESM opereert als veilligheidszone voor de Euro. Met name landen met veel schulden (zuidelijke knoflooklanden) die in problemen geraakt zijn krijgen veel aandacht. De ESM kan de kredietverstrekking tot een maximum van 500 miljard oprekken aan landen die in problemen zijn geraakt. Een land dat in problemen geraakt is moet voldoen aan de Troika (zeer strikte kredieteisen). Griekenland zit nu in zo’n situatie vergelijkbaar met mensen die in de schuldsanering zitten, alleen is de discussie of de schulden dan gesaneerd of uitgesteld worden. Griekenland moet bijvoorbeeld neoliberale hervormingen uitvoeren (privatisering, minder ambtenaren, minimumlonen omlaag, langer doorwerken en vooral bezuinigen (austerity) om de economie te hervormen. De net nieuwe linkse regering wil juist de lonen verhogen, sanering van de schulden, investeren in de economie, en gezondheidszorg, nationalisatie van de infrastructuur, gratis basisvoorzieningen. De tussenweg lijkt te zitten in de aanpak van corruptie, meer belasting innen en vooral meer belastinginkomsten van hoge en midden inkomens. Je hebt wel een werkende economie nodig om uberhaupt uit de schulden te komen. Griekenland is de laatste jaren behoorlijk kapot bezuinigd. Dat leidt ook tot een braindrain van hoogopgeleid personeel en de komst van de Gouden Dageraad en weinig vertrouwen in de politiek, overheid en economie. Wat dat betreft staat Griekenland keer op keer aan de rand van de afgrond en legt het lot in handen van de kredietverstrekking van de ECB. Zonder kredieten geen geld in de geldautomaten en betalingsverkeer om de bevoorrading te regelen en lonen te betalen. In Nederland zelf wordt momenteel de ABN AMRO bank zwaar bekritiseerd op het fraudebeleid en de bonussen. Op zich vrij naief, gezien het feit dat Baron David de Rothschild vanaf 1999 toegetreden is als commissaris in het bestuur van deze bank. Vanaf 1996 hadden de Rothschilds al jointventures gesloten met de ABN en de Rabobank.

Ook hier zie je de eeuwige strijd om democratie en macht. Wie bepaalt nu het beleid en heeft de macht over de geldhoeveelheid? Nationale parlementen, private investeerders (opkopers bonds) of Europese centrale banken of de BIS, ECB en IMF (bepaling rente-instrument en opkoopprogramma’s bonds)?

Ook de grootste economen (Friedman, Hayek, Greenspan) moesten toegeven dat ze er naast zaten. Deregulering van de bankensector leidt niet tot meer welvaart en een ‘betere’ weerbare economie voor iedereen. Alan Greenspan, de belangrijkste econoom en voorzitter van de Federal reserve (1987-2006) moest bij de hoorzitting van het congres toegeven dat hij het fout had. Greenspan’s geloof in het kapitalisme was ernstig aangetast. Toch kwam Greenspan met geen enkel ander alternatief, kapitalisme is misschien het minst slechte economische model dat we hebben, net als democratie. Het kan ook een gebrek zijn aan verbeeldingskracht om tot betere alternatieven te komen, zonder meteen uitgelachen te worden.  Blijf maar hangen in de mainstream dan doe je al gek genoeg.

Goldman Saches is wereldwijd de grootste en meest invloedrijke bank ter wereld met het hoofdkwartier in New York. De belangrijkste spelers werken niet alleen bij de bank, maar bevinden zich in alle sectoren van de maatschappij: politiek, charitatieve instellingen, lobby clubs etc. De ECB wordt momenteel gerund door Mario Draghi ex-Goldman Sachs. Italie werd na de val van Berlusconi gerund door president Monti ex-Goldman Sachs. De bank werd in 1869 opgericht door de joods-Duitse immigrant Marcus Goldman. Samen met zijn schoonzoon Samuel Sachs groeide het bedrijf uit tot een van de allergrootste zakenbanken. In 2008 veranderde het bedrijf van een zakenbank naar een financiële holding. De holding kon zo van de Amerikaanse ondersteuningsmaatregelen profiteren. In 2010 kreeg de bank steeds meer kritiek vanwege de dubieuze rol in o.a. Griekenland (valutaswaps). Goldman kwam opnieuw in opspraak met fraude van her verpakte hypotheken, faillissementen van Australische hedgefondsen door het verkoop van dubieuze beleggingen (CDO’s). Bij Goldman Sachs speelt het belang van de klant nauwelijks een rol. Het gaat vooral om zoveel mogelijk zelfverrijking, binnenslepen van bonussen en het verstrekken van zoveel mogelijk leningen en dubieuze financiële producten.  Ethiek en moraal spelen geen enkele rol binnen deze wereldwijde grootste bank.

Ondergang VS, opkomst China als nieuwe monetaire en economische wereldmacht.

Na de val van Bretton Woods (Nixon, 1971) is de VS steeds meer geld gaan bijprinten zonder dat daar een reele waarde tegenover staat. De dollar blijft alleen enigszins stabiel door de koppeling aan de olieprijs (petrodollar), de investeringen in de oorlogsindustrie en ontwikkelingshulp (buitenlandse investeringen).

De Amerikaanse binnenlandse investeringen zijn gebaseerd op krediet, consumptie op krediet. De Amerikanen lenen vooral bij de Chinese banken of de Chinese Staat. Zo neemt de Amerikaanse schuld elk jaar enorm toe (staatsschuld van 20.000 miljard). Daar staat weinig reële economie of reële economische productie tegenover. De Amerikaanse economie besteedt veel uit aan de lage lonen landen (goedkope productie). De Amerikaanse economie kan op lonen niet concurreren en is dus net als Europa erg afhankelijk van technologie en innovatie (facebook, google etc.). Na de crisis stortte bijna de gehele autosector (Detroit) in omdat en de lonen te hoog waren en de industrie te weinig innoverend was (niet gericht op de wereldwijde markt van zuinige auto’s en stijgende olieprijzen). Bovendien heeft de auto-industrie het door de crisis en het imagoprobleem (mobieltjes zijn populairder dan vervuilende dure auto’s) al heel zwaar.

Ook is de dollar relatief duurder dan bijvoorbeeld de Renminbi (Chinese munt) die kunstmatig laag gehouden wordt door de Staat. Hierdoor worden Amerikaanse producten relatief duurder. Door geldcreatie (printen geld) kan de dollar wel kunstmatig dalen in waarde. Na de crisis hebben Europa en de VS de munt in waarde laten dalen door de QE (quantitive easing) programma’s. Eigenlijk zeggen beide economieën: we zijn niet concurrerend genoeg en verlagen dus onze munt kunstmatig zodat we goedkoper worden voor het buitenland.

China kan beter concurreren door de lagere lonen (veel mensen in het land), minder wet en regelgeving op arbeid en milieu (mensenrechten), de staatsinvesteringen en de specifiek aangewezen export processing zones. Ook hanteert de Chinese economie diverse importverboden en exportverboden op schaarse materialen. China verovert momenteel diverse monopolies op Afrikaanse grondstoffen en koopt grootschalig goud en goudmijnen op. Dat doen landen meestal als ze weinig vertrouwen in de wereldmunt of in een bepaalde munt hebben. Of als munten steeds aan het devalueren zijn. Munten worden zwak en mensen zoeken het vertrouwen in andere currency zoals goud. Goud heeft altijd een veilige waarde binnen de economie. Zeker in tijden van crises.

China betaalt daar ook een prijs voor. Enorme milieuvervuiling (smog, CO2, afnemende levensverwachtingen), China neemt het niet zo nauw met de mensenrechten, schending van de arbeidsrechten, kinderarbeid, zelfmoord onder arbeiders. China bepaalt een prijs om een kapitalistisch land te willen worden. Wereldwijd zijn we ook steeds meer afhankelijk geworden van Aziatische productielanden. Het westen kijkt hier heel paradoxaal naar. Aan de ene kant willen we de goedkope producten uit Azie (China, Zuid-Korea, Bangladesh, India). Aan de andere kant veroordelen we milieuvervuiling, klimaatverandering en mensenrechten, waar het westen ook nog eens grotendeels zelf verantwoordelijk voor zijn. Het westen consumeert grotendeels deze producten zelf en stuurt via multinationals deze productie aan en verdient daar ook nog eens flink op. Sterker nog, de westerse landen betalen daar ook nog eens nauwelijks belasting over. De westerse landen profiteren van de welvaart (consumptie), maar gooien de nadelige effecten overboord bij de productielanden, zonder daar voor te betalen. Je kunt je dus afvragen of China zo blij moet zijn als nieuwe geopolitieke economische grootmacht. De Chinese economie groeit jaarlijks met zeer ruime cijfers. Aan deze groei zit nog een prijskaartje. Toenemende lonen en toenemende prijzen. Momenteel denkt China na over een monetaire reset. China wil minder afhankelijk worden van de dollar zodat ze ook niet steeds de Renminbi kunstmatig hoeven te devalueren. De Chinese groei is daarbij op den duur ook eindig. China kent een enorme vastgoedbubbel waarbij beleggers enorm gespeculeerd hebben in de woningmarkt. Door een alsmaar economische groei van boven de 8% na te streven is China steeds maar woningen blijven bouwen waarvoor geen markt was. China kent al niet echt een markt (bijna alles is centraal door de overheid aangestuurd). Hierdoor zijn enorme vastgoed spooksteden ontstaan die door niemand bewoond worden. Deze investeringen betalen zich dus nooit terug. Woningprijzen en huren zijn veel te hoog voor de modale Chinees. Dat betekent dat China op een bepaald enorm moet afschrijven op deze economische vastgoed luchtbel. Dat kan een enorm gevaar zijn voor de groei van de Chinese economie en dus ook de wereldeconomie.

Taiwan is het centrale punt tussen het nu nog vrij onzichtbare conflict tussen het westerse Amerikaanse regime en het ‘communistische’ China. Taiwan heeft zich zelf onafhankelijk verklaard en ontwikkeld zich via westerse maatstaven. China ziet Taiwan nog steeds als onderdeel van het grote China. Taiwan is vergelijkbaar met het Palestina-Israël conflict, alleen spelen deze ontwikkelingen zich minder op de voorgrond af. Waar Rusland een extroverte militaire agressie opstelt tegenover Amerika en de westerse landen, verstevigt China haar machtspositie uit via economische en technologische ontwikkelingen. China koopt bijvoorbeeld alle grondstoffen op en heeft een exportverbod/limiet op grondstoffen. Militaire ontwikkelt China wapens die gericht zijn op het uitschakelen van elektronische apparatuur zoals satellieten en transistoren met bijvoorbeeld een elektronic pulse wapen. Economische groei is dan ook de grootste macht factor tussen Amerika en China.

In de koude oorlog ging het meer om de wapenwedloop tussen conventionele en nucleaire wapens tussen de Sovjet-Unie en de VS. Nu gaat het meer om het bespioneren en hacken van systemen op internet. Het stelen van bedrijfsgegevens, het kopiëren van nieuwe technologie en het afluisteren via geheime diensten (dat is in grote mate toegenomen). China en VS hebben veel meer een unrestricted war. Een oorlog die veel meer gebaseerd is op internet oorlog, internationale wetgeving, economische groei etc. ipv. directe militaire confrontatie. Het zijn oorlogen achter de fysieke en wetmatige grenzen.

 

Advertenties